2009/03/01

sela magdalena


de schone vrouw, die haar liefde verkocht aan anderen, maar daarom juist door jezus werd bemind en kwijtgescholden van haar solden. hoe zalig lijkt het te liggen in de armen van een arme vrouw, die van klanten weet. opvallend in de bijbel is dat jezus meer begaan is met hen, die worstelen met zichzelf en de armen van geest, dan met de schijnheiligen en de zelfgenoegzamen, die braaf zitten op de voorste rij in de kerk en omkijken om gezien te worden. natuurlijk is het stout van mij om jou in mijn fantasie te vergelijken met maria magdalena. één troost, ik was niet van plan om te betalen (met dertig zilverlingen), alhoewel het idee de fantasie meer prikkelt dan men gemeen denkt. sela is een rustteken waar muziek inzit, ik bedoel dus, dat ik bij jou de rust zal vinden, die ik zo nodig heb. romantiek nietwaar?

trouw en hou(w)


reeds jaar en dag ben ik geabonneerd op trouw en met name op de rubriek filosofie en godsdienst. ik heb er als het ware mijn geloof aan over gehouden, ondanks dat ik mijn credit heb verloren in deze maatschappij.

dus keer ik in mijzelf terug en vraag mij af, hoe het komt, dat ik minder trouw ben, dan ik zou moeten zijn. of dat ook zo is doet minder terzake, het is meer het gevoel - of is het het zeker (ge)weten - dat ik van mijzelf heb als goed katholiek?

die krant zet toch aan tot denken. neem nou het woord trouw. natuurlijk is het zo, dat het woord trouw op zichzelf niet zo veel voor schijnt te stellen getuige het feit, dat het woord trouw bijna altijd geassocieerd wordt met: "tot in den dood" en "eeuwig".

trouw op zichzelf schijnt dus onvoldoende te zijn, nietszeggend. het is pas eerst dat het zijn betekenis krijgt na een hele tijdsspanne. trouw moet ahw nog bewezen worden en heeft dus als zodanig geen eigen identiteit en mag derhalve geen naam hebben (cv)

voorts is het woord usance bij “oprecht” en “zweren”. trouw komt niet geloofwaardig over als men er niet bij zweert en het epitheton oprecht is zeker geen ornans en denigreert de ordinaire of gemene trouw tot iets achterbaks.

als voornaamwoord, een pronomen, een woord, dat ergens voor staat en niet in het minst omdat dit woord iets plechtigs heeft, een voornaam woord dus. tevens heeft het woord trouw iets van het schier onbereikbare, het bijna onmogelijke.

als zelfstandig naamwoord, niet een woord met een naam (fameus) maar bepaald een woord, dat zelfstandig dwz op zichzelf kan bestaan. trouw als echtverbintenis, een oprechte verbindtenis in de echt of het huwelijck. schijnhuwelijken daarentegen.. etc.

anekdotisch zou men kunnen wijsgeren over het geslacht van de woorden, immers trouw kan mannelijk of vrouwelijk zijn, de echt is mannelijk en het huwelijk onzijdig. zou dit te maken kunnen hebben met houwendatlijck? (lick of lijck = dans).

merkwaardig is ook de impliciet aanwezige twijfel bij gebruik van het woord trouw. immers welke onmens kan deze opgave tot een goed eind brengen? het is iets, wat er nog niet is en wat nog bewezen moet worden.

het heeft nog geen bestaansrecht in het heden. zonder volharding heeft trouw geen enkele zin. de maatschappij probeert haar vruchten te plukken door trouw echt te verklaren. hierdoor alleen al wordt het trouwen bestraft. een extra belasting ahw.

trouw bestaat dus meer dan waarschijnlijk alleen virtueel, niet in het minst omdat het door kerk en staat gesanctioneerd wordt. het veroorzaakt onnodig menselijk lijden omdat de doelstelling ampel bereikt kan worden hier op aarde.

onhoud dus goed: hij, die trouwt doet goed, maar hij, die niet trouwt doet beter!! en dicht in gods naam geen trouw toe aan een hond. het is al erg genoeg, dat het woord gebruikt wordt door varkens, die denken mens te zijn.

2009/02/04

afscheid nemen


de duvel schijt altijd op de grootste hoop. oftewel in moderne economische termen geld doet opgeld. welgesteld is welgeteld. geld heeft bij wijze van spreken iets slechts, iets onreins, immers het wordt zowel geassocieerd met de duivel als met uitwerpselen en nog wel met niet zo’n klein beetje poep. je kunt talenten begraven, hetgeen echter testamentarisch wordt afgeraden. tegen een beerput vol geld, daar zeg ik niet nee tegen, immers het lijkt alsof alles begraven is, terwijl je er wel uit kunt putten. het omhoog halen van emmers vol geld zou dan weer iets met opgeld te maken kunnen hebben?

een beerput vol stinkend stront, moet eveneens leeggemaakt worden om het land te bemesten en de gewassen te doen groeien. u weet nu waar de uitdrukking vandaan komt dat geld stinkt. gek, dat wij zo gek zijn op dat geld. de verslavende werking zal te maken hebben met het ruiken eraan, dat ons limbisch systeem in werking zet. ook spreken wij van smeergeld betalen of de smeerkraan open draaien, hetgeen bevestigt, dat geld stinkt. de term een poepje laten ruiken heeft met macht en derhalve met geld te maken, het zich laten gelden.

bekakte heren weten geen (huis)raad met de hen toegevallen hoorn des overvloeds en diareeren desgevolg hunne lasten op de minderbedeelden, zodanig, dat zij met gemak geïdentificeerd kunnen worden als bruine apen (makakkies). de personele belasting door ontlasting. het doet mij denken aan het afbakenen van hunne territorium door het plaatsen van vlaggetjes, maar tevens ook aan de hogere orde, die in deze euromaatschappij bestaat. het figuurlijk uitschijten of laten gaan van wat minder belangrijk lijkt te zijn. men zou ook kunnen spreken van het zich uitdrukken achteraf.

het is geweten, dat zij proberen deze overvloed zolang mogelijk vast te houden, opdat zij van viscerale gevoelens en hunne aangenaam lijflijke gevolgen zouden kunnen genieten. het met regelmaat langer vasthouden kan leiden tot een tijdelijk opgeblazen gevoel, ene vorm van obstiperen, waarvan bekend verondersteld mag worden, zelfs bij de mindere klasse, dat de ontlasting daarvan of het endelen van die darme ene grote bevrediging kan bewerkstelligen. de uitdrukking: “zijn buik ervan vol hebben” refereert zeker aan het te lang moeten vasthouden van iets, dat als onprettig wordt ervaren.